Supporter schrijft aandoenlijke brief over het Club-virus: “49R Jeans, Geuze St. Louis, Assubel en VTM”

Club-fan schrijft aandoenlijke brief over het Club-virus 49R Jeans, Geuze St. Louis, Assubel en VTM

Club Brugge hoopt zondag tegen RSC Anderlecht voor het eerst in 11 jaar de landstitel te mogen vieren. Club-fan Peter V uit Zemst was er in 1973 al bij. Hij schreef een prachtige samenvatting van zijn Blauw-Zwarte supporterscarrière tot dusver en blikt eveneens vooruit naar zondag. De hype rond de geplande veldbestorming kan hij maar moeilijk vatten.

Een supporter vertelt…

Mijn eerste titel vierde ik in 1973. Ik was er toen zeven, en trok wekelijks naar Club, aan de hand van papa. Met de bus naar Luik, Waterschei, Diest. Geen verplaatsing was ons te ver – behalve die naar Brussel. Daar kwamen we niet. Ook de tweewekelijkse trip naar Brugge was telkens een avontuur: op de oude Brugsebaan vanuit Kortrijk zwol op zondagmiddag het massa auto’s aan, de blauw-zwarte sjaals fier uit de ramen wapperend. Alhoewel: de laatste kilometers werd er niet veel gewapperd. Het was bumperkleven, tot aan De Klokke. Papa parkeerde op het gazon van een buur, we dronken er nog eentje in de keuken van Nicole Lamberts cafeetje, en gingen onze Helden aanmoedigen.

Club had zwaar geïnvesteerd (té zwaar, zou later blijken) om die titel te halen – de trainers volgden elkaar snel op, de Hollandse vedetten en de onnavolgbare Le Fèvre maakten het mooie weer en de volksjongens Carteus en Thio zorgden voor legendarische supportersverhalen. De Klokke werd een tweede thuis – Salami Imperial, de krakkemikkige omroepcabine op het einde van een lange trap, de spelers die je haast kon aanraken,… We hadden de titel eerder verspeeld – ‘Geef die rozen aan Standard’, zong de spionkop cynisch. Maar: die eerste titel in meer dan vijftig jaar deed deugd.

De eerste en laatste keer

Er kwamen nieuwe vedetten die uitgroeiden tot Goden. Ernst Happel werd trainer, 49R Jeans verving Carad als sponsor, wat later zouden we De Klokke inruilen voor het Olympiastadion. Fons Bastijns en Lotte Lambert kregen nieuwe collega’s – Roger Van Gool, Eddie Krieger, Birger Jensen, René Vandereycken… En de successen bleven komen: drie titels op rij, de memorabele Davies-cup op de Heizel (tegen die van Brussel), Europese mirakelavonden die uitmondden in finales. Bij één van de titelvieringen mocht ik mee opdraven met de supportersclub: we gaven bloemen af aan de kampioenen, zwaaiden even naar het volle stadion en repten ons weer naar onze plek. Het was de eerste en laatste keer dat ik de mat zou oplopen.

Maar gevierd werd er. Na de wedstrijd in de Olympia. Op de bus. Bij een tussenstop, langs die Brugsebaan, bij Figaro. In het supporterslokaal in Lauwe. De kunst bestond erin op tijd terug thuis te zijn om op tv het Nederlandse én Belgische voetbal nog mee te pikken. Ik schreef een verslagje dat ik op maandagochtend in de klas mocht voorlezen, knipte de hele week door alle Club-artikels uit de kranten. Keek uit naar de bezoekjes van Fons Bastijns thuis, en bleef toen net zo lang zagen tot hij mee buiten, op straat, een balletje ging trappen.

Energie van Gert Verheyen

Het niet te omschrijven Club-virus had me te pakken, voorgoed. Je luisterde naar muziek met een Carad-versterker. Je droeg 49R Jeans. Je dronk geuze Saint-Louis. De autoverzekering sloot je af bij Assubel. Je keek zelfs VTM, later. Een rekening openen bij de Generale Bank was uitgesloten.

Zelfs in de slechte dagen bleef je Club trouw. De bijna-degradatie (merci, RWDM!), de gemiste titels. Ook wanneer we wél kampioen speelden – onder Grijzenhout en Leekens – met slecht voetbal, bleef je je Goden verdedigen. Caje, de Fox, Danny Verlinden of Frank Farina: ze waren de allerbeste spelers, van de heeeele wereld. Er kwamen nieuwe Europese mirakelavonden, nieuwe bekerfinales en nieuwe titels. Van de eerste oefenmatchen onder Gerets voelde je: dit wordt het. Het gevoel van niet te kunnen verliezen onder Sollied, het vloeken op de wispelturige Mendoza (en juichen na zijn goal op AC Milan), de energie die Gertje Verheyen met één tackle door het stadion kon jagen…

Tranen in de ogen

Elf jaar geleden was ik er ook bij, op die kampioenenmatch tegen die van Brussel. De zon scheen, we beefden en bibberden omdat Zetterberg maar blééf doen alsof hij ons de titel niet gunde – en we bereikten de totale euforie na het laatste fluitsignaal. In extase gingen we vieren en reden we naar huis, waar intussen een zoon met blauw-zwarte sjaal zat te juichen. ‘Vertel, vertel, hoe was het?’. De (licht aangedikte) verhalen werden verteld, en de kroeg werd opgezocht om nog een paar uur door te feesten.

Een jaar geleden pakten onze Goden de laatste keer een prijs – de beker. Ook dat was een feest. Omdat we het even niet meer zagen zitten – typisch voor die van Brussel, om slecht te spelen en dan helemaal op het einde nog gelijk te maken. Omdat die goal van Rafa compleet onverwacht kwam. Omdat het tegen die van Brussel was. Omdat het lang geleden was. Omdat het warm was, en we dorst hadden. Tranen in de ogen toen Timmy de beker boven zijn hoofd tilde, op dat podium op het veld. Dansen, dansen, dansen. Pintjes drinken, genieten.

Voor één keer mag het

Zondag kan het weer zover zijn. Ik durf het haast niet te hopen. We weten dat we de enige zijn die de titel echt verdienen, maar: het is weer tegen die van Brussel. Verscheurd tussen de hoop dat we hen kapot spelen, zoals we vorig weekend Gent afmaakten, en de vrees dat we verlamd spelen, zoals we eind maart deden in de bekerfinale. Maar: het is het enige waar ik de laatste weken echt kan aan denken. Aan een langgerekt feest, aan een nieuwe uitbarsting van onbeteugelde vreugde. In de armen vallen van mannen die je niet kent – voor één keer mag het, want wij zijn de blauw-zwarte familie.

Maandag kwam er echter een wolk voor de zon. Club-supporters willen het veld bestormen, blokt een krant. Het wordt een pitch invasion genoemd. Ik lees op Facebook over de plannen en ik huiver. ‘Ik wil die penaltystip van waar Kums miste’.

Ik zal wel te oud zijn, maar ik snap het niet. Echt: ik begrijp niet hoe je kunt vieren op het veld. Alleen spelers horen op dat veld. Laat hen genieten, laat hen het feest inzetten. Kijk ernaar en geniet er mee van. Er zal muziek zijn, confetti, bier (mag ik hopen). En meer dan 20.000 supporters in de tribunes: dansen, dansen, dansen. Pintjes drinken, in de armen vallen van mannen die je niet kent. Om dan buiten dat stadion verder te vieren. Thuis te geraken. Om daar nog meer te vieren.

Een wake-up-call

Maar dat veld oplopen? Waarom, eigenlijk? Om de andere supporters in die tribunes te zien? Om op tv te komen? Toch niet voor die penaltystip – we hébben nu eindelijk een fatsoenlijk veld. Om het truitje van een speler van z’n lijf te rukken? Een wake-up-call: ook al behoor je tot het allerbeste supporterslegioen van het land, dat maakt je nog altijd geen speler. Onze plaats is in de tribune, van waar we onze Goden vooruit schreeuwen.

Neen. Aan mij is het niet besteed. Wat natuurlijk onvoldoende reden is om het niet te doen. Maar misschien, heel misschien, houden de veldbestormers rekening met spelers en trainers, die willen vieren met àlle supporters, en niet alleen met diegene die het veld oplopen. Want wanneer ik om me heen kijk, zie ik toch vooral supporters die vanop hun (vaste) plekje in de tribune willen kijken en genieten. En als er dan toch op dat gras moet worden gelopen: wacht dan tot de laatste thuismatch. Da’s een weekje later, tegen een weireldploegtje. Laat ons dan de spelers huldigen, op een beschaafde manier. Titel of niet. Laat ons in stijl afscheid nemen van dit seizoen.


Ben jij een échte Club-fan?
Vul dan je voornaam en e-mailadres in en klik op de blauwe button ('houd me op de hoogte'). Zo ontvang jij als eerste het belangrijkste nieuws over Club Brugge. Bovendien maak je gratis kans op het officiële Club Brugge thuisshirt 2016-2017.

, ,

Comments are closed.